GEZONDHEID
De Blauwe Rus staat over het algemeen bekend als een gezond, sterk en vitaal kattenras. Met goede verzorging, passende voeding, voldoende beweging en regelmatige dierenartscontroles kan een Blauwe Rus een hoge leeftijd bereiken. Veel Blauwe Russen worden ongeveer 12 tot 16 jaar oud, waarbij ook hogere leeftijden voorkomen.
Hoewel de Blauwe Rus als een relatief gezond ras wordt beschouwd, kunnen gezondheidsproblemen nooit volledig worden uitgesloten. Aandoeningen die bij katten in het algemeen voorkomen, kunnen ook bij een Blauwe Rus ontstaan. Binnen een verantwoord fokbeleid wordt daarom zorgvuldig gekeken naar de gezondheid, erfelijke achtergrond, verwantschap en algemene conditie van de ouderdieren.
HCM
HCM staat voor hypertrofische cardiomyopathie. Dit is een hartaandoening waarbij de hartspier verdikt raakt. HCM is de meest voorkomende vorm van cardiomyopathie bij katten en kan voorkomen bij raskatten en niet-raskatten.
HCM wordt niet algemeen beschouwd als een aandoening die specifiek samenhangt met de Blauwe Rus. Dit neemt niet weg dat de aandoening bij een individuele Blauwe Rus kan voorkomen. Omdat HCM niet altijd aan de buitenkant zichtbaar is en zich soms pas op latere leeftijd ontwikkelt, kan onderzoek van het hart onderdeel zijn van een zorgvuldig fokbeleid.
Een normale onderzoeksuitslag geeft informatie over de gezondheid van het hart op het moment van het onderzoek, maar biedt geen garantie dat een kat gedurende zijn verdere leven geen HCM zal ontwikkelen.
PKD
PKD staat voor polycystic kidney disease. Bij deze aandoening ontstaan met vocht gevulde cysten in de nieren. Deze cysten kunnen na verloop van tijd groter worden en de nierfunctie beïnvloeden.
De bekende erfelijke vorm van PKD wordt vooral in verband gebracht met bepaalde kattenrassen en wordt niet algemeen beschouwd als een kenmerkende aandoening van de Blauwe Rus. Toch kan een fokker ervoor kiezen ouderdieren hierop te laten onderzoeken, bijvoorbeeld als aanvullende voorzorgsmaatregel of wanneer daar vanuit de afstamming aanleiding voor bestaat.
Patella luxatie
Patella luxatie, afgekort PL, is een aandoening waarbij de knieschijf uit de groeve kan verschuiven. Dit kan leiden tot ongemak, stijfheid, mank lopen of kreupelheid.
De ernst kan per kat verschillen. Sommige katten hebben weinig of geen zichtbare klachten, terwijl in ernstigere gevallen behandeling noodzakelijk kan zijn. Controle van de knieën kan daarom onderdeel zijn van het gezondheidsonderzoek van ouderdieren.
FIV en FeLV
Naast erfelijke en lichamelijke aandoeningen wordt binnen een kattenbestand ook rekening gehouden met besmettelijke kattenziekten, zoals FIV en FeLV.
FIV staat voor Feline Immunodeficiëntievirus. Dit virus tast het afweersysteem van een kat aan en wordt in de volksmond ook wel kattenaids genoemd.
FeLV staat voor Feline Leukemievirus. Ook dit virus kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid van een kat.
FIV en FeLV zijn geen erfelijke aandoeningen, maar besmettelijke virussen. Door ouderdieren te testen en nieuwe katten zorgvuldig in een kattenbestand te introduceren, kan het risico op verspreiding worden beperkt.
Verwantschap en genetische diversiteit
Omdat de beschikbare genenpool binnen een kattenras beperkt kan zijn, is het belangrijk om te nauwe verwantschap zo veel mogelijk te voorkomen. Een hoge mate van inteelt kan de kans vergroten dat ongunstige erfelijke eigenschappen bij nakomelingen tot uiting komen.
Bij het kiezen van een combinatie wordt daarom niet alleen gekeken naar uiterlijk en karakter, maar ook naar stambomen, verwantschap, genetische diversiteit, de gezondheid van de ouderdieren en beschikbare gezondheidsinformatie uit de familielijnen.
Gezondheidsonderzoeken
Binnen een verantwoord fokbeleid worden ouderdieren gecontroleerd op hun algemene gezondheid en, waar relevant, onderzocht op erfelijke, lichamelijke en besmettelijke aandoeningen. Daarbij kan onder andere worden gekeken naar:
- HCM – hypertrofische cardiomyopathie
- PKD – polycystic kidney disease
- PL – patella luxatie
- FIV en FeLV – besmettelijke virussen bij katten
Gezondheidsonderzoeken helpen risico’s te beperken en ondersteunen het maken van verantwoorde fokkeuzes. Zij bieden echter nooit een absolute garantie dat een kat gedurende zijn leven geen ziekte of aandoening zal ontwikkelen.